Bergse Heide | Ingendael

Bergse Heide | Ingendael

Tussen Berg, Vilt en Houthem ligt een 185 ha groot gebied, waarin plateaubos via hellingbos overgaat in vochtig grasland. De Geul slingert zich er dwars doorheen. De open Meertensgroeve in het plateau geeft het landschap extra charme.

Bereikbaarheid en recreatiemogelijkheden

NS-station Houthem/Sint-Gerlach ligt 1 km van het gebied. Buslijn 51 [Maastricht-Brunssum] stopt in Berg en Terblijt en buslijn 191 [Houthem-Margraten, halte Sint-Gerlach direct bij het natuurgebied Ingendael. Ingendael is voor wandelaars vrij toegankelijk, ook buiten wegen en paden. In de bossen van de Bergse Heide ligt een dicht padennet. Honden zijn alleen aangelijnd toegestaan.

Geschiedenis

De omgeving van de Bergse Heide kent een lange bewoningsgeschiedenis. Vanaf circa 3500 voor Christus vestigden de eerste boeren zich er. Ontginningen startten op de plateauranden; diverse ooit opgegraven grafheuvels in Berg en Terblijt getuigen hiervan. De noordelijke helling langs het Geuldal werd vanwege zijn voedselrijke bodem en de op het zuiden gerichte en dus zonnige helling als akkerland gebruikt. De steile, relatief koele zuidelijke Geuldalhelling werd benut als hakhoutbos en weidegrond voor schapen. In het hakhoutbos bleven meestal enkele bomen staan met daaronder een laag hakhout. De oude zomereiken, essen, zoete kersen en in Nederland zeldzame boomvormende wilde lijsterbessen zijn hier een overblijfsel van. Door de intensieve schapenbegrazing ontstond op andere plateaudelen heide, waaraan de Bergse Heide zijn naam ontleent. Rond 1950 zijn stukken heide beplant met naaldbomen als fijnspar en Japanse lariks. De natte dalbodem is vanaf de middeleeuwen ontgonnen. Belangrijk hierbij was het klooster Sint-Gerlach, dat sinds 1201 bestaat. De gronden langs de Geul werden gebruikt als wei- en hooiland. De bodem rond de Bergse Heide leverde nuttige grondstoffen. Circa 2500 voor Christus werd er vuursteen gedolven. De Romeinen wonnen al mergel, vooral in open groeven. Vanaf de late middeleeuwen ontstonden de ondergrondse groeven, zoals Viltergroeve, Kloostergroeve en Barakkenberg. Ook grind en zand werden gewonnen, waardoor onder andere de Meertensgroeve ontstond. Een andere open groeve is tegenwoordig moeilijker herkenbaar in het terrein. Hierin is in 1973 en 1974 door een gezamenlijke actie van Dagblad De Limburger en Het Limburgs Landschap het Limburgerbos geplant. De Bergse Heide is sinds 1970 in bezit en in 1996 werd Ingendael hieraan toegevoegd. Nu wordt dit gebied als één eenheid beheerd, waarbij een natuurlijkere ontwikkeling van het totale hellingbos- Geuldalbodemsysteem wordt nagestreefd. In 2005 sloot Het Limburgs Landschap een beheerovereenkomst met Nazorg Limburg zodat ook de voormalige stortplaats in een oude groeve, de Langen Akker, een natuurlijk beheer krijgt.

Beschrijving

Vanaf Sint-Gerlach zijn globaal vier zones in het reservaat te onderscheiden: een open grazig gebied, de Geul en omgeving, het hellingbos en het plateaubos. Een buitenbeentje is de Meertensgroeve. Toen de graslandzone in 1996 in beheer kwam van de Stichting bestond deze uit weilanden en akkers. Hier vindt ontwikkeling naar een natuurlijk beekdallandschap plaats. Door overstromingen van de Geul en opkwellend grondwater zal hier in laagtes plaatselijk water blijven staan. Door de in het Ravensbosch ontspringende Strabeek weer in het gebied te laten uitmonden is een doorstromend moeras gecreëerd. Het wordt gevoed door regenwater dat vanaf de hoge gronden ten noorden van het gebied via de Strabeek naar het laagste deel van Ingendael stroomt. Hier is in 1999 een plas van zo'n 1 ha gevormd, veelal niet dieper dan 20 cm. Het water stroomt na enige tijd in de Geul. In droge periodes kan de plas vrijwel droogvallen. Binnen enkele weken na de start van dit project zaten er massaal groene kikkers te kwaken in de plas. De tengere grasjuffer, een zeldzame libellensoort, ontdekte de plas al snel, maar verdween toen de vegetatie te dicht werd. Roepende waterrallen waarderen de ondiepe plas met dichte vegetatie van beekpunge en zuring. In 2000 broedde er zelfs een paartje zomertalingen, het eerste broedgeval in het Mergelland in vele jaren. In de wintermaanden verblijven groepjes watersnippen en enkele bokjes langs de randen van het moeras. In de distelruigten rond de plas zat meerdere jaren een roepende kwartelkoning. Deze veelheid aan soorten vestigde zich dus binnen tien jaar in dit natuurontwikkelingsgebied. Nagenoeg het enige beheer is begrazing door galloways en koniks. Door jaarrondbegrazing in lage dichtheden wordt zo een afwisselende soortenrijke vegetatie in stand gehouden. Bij de door het gebied meanderende Geul huizen vogels als grote gele kwikstaart en ijsvogel. De bedding is plaatselijk vastgelegd. Door in Ingendael beschoeiingen weg te halen en omgevallen, op de oevers aangeplante populieren te laten liggen, zoekt de Geul zich daar nu zelf een weg. Oevers kalven af, grindbanken komen bloot te liggen en waarschijnlijk krijgt de Geul geleidelijk een meer vlechtende loop. Langs de vlakke oevers ontwikkelt zich wilgen- en elzenbos. Nu ligt er op enkele eilandjes in de Geul het in Nederland zeer zeldzame bosmuur-elzenbos; in de toekomst zal dit zich waarschijnlijk uitbreiden. Zeldzame ruigtesoorten als kleine kaardebol en geoord helmkruid zullen ook aan de noordoever van de Geul tot volle wasdom komen. Het hellingbos met magnifieke gewone essen en zomereiken is rijk aan karakteristieke plantensoorten. Plaatselijk komt er pure kalk aan de oppervlakte, waarop speciale soorten kunnen overleven, zoals muurhavikskruid. Op andere plekken groeien bosbingelkruid, aardbeiganzerik, eenbloemig parelgras, grote veldbies, ruig klokje en eenbes met zijn vier tegenoverstaande bladeren. Op plaatsen waar bos verwijderd is handhaven zich dichte struwelen van bosrank. Op het plateau is de bodem voedselarmer. Vroeger groeide hier heide; daarvoor kenmerkende soorten als struikheide, blauwe bosbes, brem en tormentil komen nog voor. Enkele jeneverbessen, naar verluidt de laatste wilde van Zuid-Limburg, houden stand op een kalkrotsje. Voor deze soort wordt tegenwoordig een speciaal beheer gevoerd. Het huidige bos bestaat uit zomer- en wintereik, ruwe berk, maar ook uit hazelaar, beuk en haagbeuk. Zeldzame struiken als mispel en tweestijlige meidoorn staan regelmatig op het plateau. De bossen op de heuvelrand zijn zeer vogelrijk door de oude bomen en de afwisseling in het bos. Kenmerkend zijn vijf soorten spechten, boomklever en grauwe vliegenvanger. Bijzonder is de middelste bonte specht, die sinds 2004 in het gebied broedt. Deze zeldzaamste Nederlandse specht is een echte specialist van oude [eiken]bossen, en zijn terugkeer in Nederland is een teken dat het goed gaat met onze bossen. Zoogdieren als das en steenmarter leven op de overgang van helling naar dalbodem. Steenmarters benutten de oude mergelgroeven regelmatig als kraamkamer. In volstrekte duisternis brengen ze hier hun jongen groot. Aan de zuidrand van het plateau grenst het bos aan een onnatuurlijke, open grazige vlakte. Hier is eerst een groeve geweest waar zand en grind is gewonnen. Hij is geheel met afval dichtgestort en afgedekt met een grondlaag. De eigenaar, Nazorg Limburg, heeft een zaadmengsel ingezaaid om de afdekgrond snel te laten dichtgroeien. Nu is dit terrein in beheer bij Het Limburgs Landschap. Het is nog steeds zeer bloemrijk en daardoor ook vlinderrijk. Wilde peen groeit er overvloedig, waarmee het gebied geschikt is voor de koninginnepage. De voormalige stortplaats wordt voor de helft begraasd door enkele galloways, de andere helft is een park. Hier zijn ondiep wortelende bomen en struiken geplant. De komende jaren zal dit gebied zich verder ontwikkelen. In de Bergse Heide bij Vilt ligt de Meertensgroeve, een nog goed herkenbare oude grind- en zandgroeve. Door de warme, beschutte ligging en de open schrale vegetatie is hij bijzonder. Hier leven de in Nederland zeldzame vroedmeester- en geelbuikvuurpad. In poelen komen de larven tot wasdom. Er leven nog vijf andere soorten amfibieën en ten minste tien soorten libellen. Echte warmteliefhebbers als sprinkhanen zijn vertegenwoordigd met zeven soorten, waaronder het in Nederland zeldzame kalkdoorntje en de sikkelsprinkhaan. Om de groeve open te houden, worden er regelmatig bomen gekapt en wordt de bodem kaal gemaakt. Zo blijft het bijzondere milieu van de Meertensgroeve behouden.

Beheer in periode 1985-2011

poelen aangelegd en bos gekapt in de Meertensgroeve | naaldbossen omgevormd tot gemengde loofbossen, deels door kappen | Ingendael en delen van de Bergse Heide ingericht als begrazingsgebied | enkele losse graslandpercelen tussen Houthem en Meerssen afgerasterd.

Beheervoornemens vanaf 2011

voortzetting van ingezette natuurontwikkelingsbeheer in Ingendael | onderhoud kleine landschapselementen [heggen, graften, knotbomen, poelen] | in stand houden geschikte biotoop voor zeldzame padden in Meertensgroeve.

Meer info en wandelfolders

Wandelfolder: Welkom in het Beneden-Geuldal